|
|
Het Kafka MannetjeOp een mooie lentedag wandelde Johannes over een rivierdijk, genietend van de schitterende vergezichten die zijn geliefde vaderland kenmerken. Ginds wuifden populieren, zich glorieus oprichtend naar de hemel waar Hollandse wolkenpartijen een feest voor zijn helder oog aanrichtten. Opeens werd de serene rust van dit glorieuze landschap verstoord doordat uit de schaduw van de peppels een mannetje het talud op klom dat luidkeels met schrille stem beschuldigingen naar voren bracht over de achtenswaardige held, die aldus in zijn welverdiende ontspanning gestoord werd. Het mannetje gilde Toen moest het mannetje met grote gierende halen naar adem happen terwijl het met felle ogen naar Johannes keek, die zich op zijn beurt verbaasde over diens wonderlijke kledij. Het droeg een lange witte jurk waarop in goudkleurige stof een groot hartvormig figuur was aangebracht, een wit masker met twee gaten voor de ogen en aan zijn hoofd was een goudkleurige cirkel bevestigd, wat een aureool moest voorstellen. In zijn hand hield het een emmertje met een onwelriekende inhoud waarop "Johannes" stond. De diep beledigde
Nederlander vroeg: Nu had Johannes zich voor zijn welverdiende wandeling gekleed in een wit linnen kostuum, terwijl hij zijn grote brein bedekt hield met een strohoed, voorzien van een rood- wit- blauwe band. Verontrust door het jammerlijke en gewelddadige voornemen van het mannetje, dat dreigde zijn smetteloze voorkomen met geweld te bederven, week hij terug. Maar het kafka mannetje stapte op hem toe, nam een greep uit zijn emmertje en bekogelde hem. Hoewel Johannes het weerzinwekkende mengsel behendig probeerde te ontwijken, werd hij helaas getroffen. "kaltgestellt!", gilde het mannetje, maar toen bleef het verbijsterd staan. Want Johannes, de door God gezonden held, die zijn volk dient in waarheid en wijsheid, hoeft niets te doen om zich te rechtvaardigen. De modder die hem getroffen had, kleeft hem niet aan en viel als droog zand op de dijk, de nobele, blanke, welopgevoede man onbevlekt latend. Het kafka mannetje
begreep dit niet. Hij strekte zijn machtige arm uit om het ventje er van af te helpen, zodat het voortaan een zinvol bestaan zou leiden. Maar het dook weg. Het rende de dijk af, terwijl zijn zelf gemaakte aureool koddig op en neer schudde en stinkend vuil van de smerig geworden engelenjurk afspatte. Het ontsnapte in een naargeestig hol waar een fatsoenlijk mens niet kan volgen. Nu de rust was weergekeerd en welriekende geuren de overhand hadden genomen, hervatte Johannes zijn wandeling. "Wat ben ik toch een gelukkig man, dat ik geen behoefte heb om mijn eigen volk en ras te besmeuren", dacht hij bij zichzelf. Hij straalde, het hele land straalde met hem mee, de vogels zongen en een prachtige toekomst lag in het verschiet.
|