De wijze neger
Eens
wandelde de edele Johannes op een huishoudbeurs, waar een gretige menigte
scharrelde tussen standplaatsen van firma's in zaken, welke gezinnen van
zijn geliefde volk van pas zouden kunnen komen. Of althans, dat hoopte
Nederlands grote zoon van harte.
Daar trof
hij een oploop aan van zwijmelende blanke vouwen, die in aanbidding staarden
naar een grote dikke neger, die op een verhoging wild schreeuwde, terwijl
hij zijn vette lichaam vervaarlijk op en neer deed schudden. De zwarthuidige
was zo lelijk als de nacht, zelfs als men hem alleen met rasgenoten
vergeleek. Johannes was zeer verbaasd, niet over het schreeuwen en schudden
van de negroïde medemens, dat verwonderde hem niet, maar wel over de
waardering die de doorgaans verstandige en intelligente vrouwen van zijn
eigen edele ras daarvoor aan de dag legden.
Zich wendende tot één
van de andere kunne vroeg de glorieuze:
O edele vrouw, ik bid u, onthul mij wat u zo aanspreekt in deze donkere man?
Waarop zijn attractieve
gezelschap sprak:
Ach Johannes, heeft u hem niet herkend: in de reclamespotjes vertelt hij
een blanke vrouw hoe men rijst moet klaarmaken, hij vertelt een blanke jonge
man hoe men meisjes moet versieren, hij vertelt bankmensen dat ze moeten
gaan gokken, waar het saai is duikt hij op, de muziek wordt ritmisch en
iedereen gaat dansen. Negers onderwijzen ons in lustvol geluk, waar wij,
serieuze blanken, onszelf voor afsluiten met onze beschaafde zelfbeheersing.
De alom vereerde
Johannes raakte verbijsterd en vroeg:
Kunt u dan niet op een verstandige, zelfbeheerste manier lust en
lichamelijkheid deel maken van uw leven? Daartoe heeft u toch geen nood aan
kroesharige losbollen?
De in haar dromen
overspelige zuchtte spijtig bij de woorden:
Mijn blanke man is een sukkel, want hij is zoals feministen hem hebben
willen; echter, ik voel me pas vrouw als mijn man me verovert – als ik me
dan onderwerp, kan ik niet meer die zelfbepalende zelfbewuste vrouw zijn,
die ik tegenwoordig moet zijn. Negers komen en gaan, dat is niet zo riskant
De intelligente Johannes
vatte haar motief als volgt samen:
Dus U ontmant uw man door de vrouwenrol te weigeren en nu u het vrouw
zijn niet met hem realiseert, verlangt u naar vreemde wilden die schreeuwen
en schudden. Toch wilt u liever een echte, verantwoordelijke man, bij wie u
veilig bent, die zorgt voor uw gezin en dingen tot stand brengt.
De wijs geworden vrouw
erkende:
U heeft gelijk het is een groot voorrecht om met een blanke bink
getrouwd te zijn, ik doe mijzelf tekort als ik hem ontman, ik ben pas vrouw
als ik mijn echtgenoot een man laat zijn.
Hierop
voelde de hooggewaardeerde Nederlander een grote tevredenheid in zijn gemoed
opkomen, nam afscheid van zijn verstandige gesprekspartner en wandelde
voort.
Even later
vroeg een gepigmenteerde medemens, presentator van een televisieprogramma,
of hij, Johannes de overtuigde Nederlander, bereid was tot een vraaggesprek.
Onze held suggereerde hem
daartoe een andere neger te benaderen.
De
zoon van Afrika nam het woord en sprak:
O Johannes, ik ben het epigoon van het diversiteitbeleid dat door de
boven U gestelden wordt opgelegd. Mijn rol is die van wijze neger, die
blanken voorlicht en beleert.
De bruine medialieveling
vervolgde:
Uit mijn mond vernemen ze normen en waarden, door het beeld dat mijn
verschijning oproept, geloven ze dat wijsheid bij andere rassen gezocht moet
worden. Nooit zal ik dus een rasgenoot ondervragen, omdat ik dan niet
schitter in de glans die van mijn gast afstraalt en ook omdat blanken het
zullen herkennen als een onderonsje van zwarten.
Nog was de duistere
verschijning niet uitgesproken:
Ik kopieer de grote wijze Afrikaans- Amerikaanse Oprah Winfrey, die zich
uitsluitend omringt met Amerikanen van Europese afkomst en zo bij hen een
gezag heeft verworven dat niet uit eigen merites voortkomt. Zij was het die
blanke stemmers wierf voor de negroïde president, die veel te jong een
biografie vol blankenhaat schreef.
Hierop dankte de
bewonderaar van Jan de Wit de bruine presentator voor diens openhartige
eerlijkheid, maar sloeg diens uitnodiging aldus af:
O nakomeling van slaven, mijn verantwoordelijkheid voor mijn eigen volk
en de belangen van mijn eigen edele ras gebieden mij, om deze opzet van
politiekcorrecte dwingelanden te dwarsbomen. Nooit zal ik de suggestie
voeden dat vreemden gezag hebben in kwesties die uitsluitend verwanten iets
aangaan.
Johannes
wandelde zuchtend voort, bezorgd over de hersenspoeling die zijn Nederlandse
volk wordt aangedaan. "Ik heb een lange weg te gaan", dacht hij bij
zichzelf.